Asli Erdogan (Istanbul, 1967) studeerde computerwetenschappen en natuurkunde aan de universiteit van Bogazici. Tot 1992 werkte ze als natuurkundige in het European Nuclear Research Centre (CERN). Erdogan heeft twee jaar in Zuid-Amerika Engelse les gegeven, schrijft voor het tijdschrift Atlas en had van 1998 tot 2000 een wekelijkse column in de krant Radikal. meer info
Terug naar Archief
|
© Winternachten |
|
Turkije
vertaling: Hanneke van der Heijden
Fragment uit Stad in rode cape gehuld – een reiziger in de straten van Rio III
De stad staat in vuur en vlam en rilt als bevangen door koorts. Weggestopt in de wolken stoom die van het gloeiende asfalt af slaan, hapt hij naar adem als een reusachtige, gestrande potvis. Al dagen lang komt er geen zuchtje wind van het strand; landinwaarts wordt de hitte alleen maar erger, tot vijfenveertig graden in het centrum van de stad. Straathonden hebben schuimvlokken om hun bek; straatkinderen van dorst gebarsten lippen; de oceaan likt met zijn krachteloze golven de wonden van de stad. Niets dat de stoffige, naar mensen ruikende straten schoon spoelt, behalve een regen van licht. Schel, scherp, tropisch licht, dat zeer doet aan je ogen, drijft de kleuren voor zich uit en voert ze weg. Nauwelijks te dragen middagen… De tijd die voortgaat in een blinde vlucht… De uren die ineenkrimpen, dreunen, kronkelen. Alle lichamen zijn moe, plakkerig, verzadigd tot in hun laatste cel. Verzonken in een naar de dood lonkende slaap, in een poging krachten op te doen voor de nacht. De dag is als een vrucht waarvan het smakelijke deel is opgegeten, het restant overgelaten aan verrotting.
Een Turkse vrouw die doelloos, moederziel alleen rondzwerft door de straten van Rio; precies zo schuilend in zichzelf als een slak zich terugtrekt in zijn huis; doodsbang voor het wapen dat ieder moment tegen haar slaap gezet kan worden; met een mond als schuurpapier; wankele stappen; grote zweetkringen onder haar oksels…
Behalve haar ogen heeft ze niets waar ze op kan vertrouwen; haar horizon reikt slechts zover als haar blik. Zo probeert ze haar vale bestaan naar een toekomst te slepen die op deze woeste grond buiten werking is gesteld. Ze heeft aldoor honger, maar walgt van eten. Ze heeft aldoor slaap, maar is bang voor angstige dromen. Ze heeft aldoor dorst, maar wat ze wil drinken weet ze niet. Ze steekt de ene sigaret met de andere aan en kan niet verhinderen dat haar lippen om de haverklap trillen. Ze wil zich vastklampen aan een arm die toevallig langs haar loopt en smeken om een woord. Niet om liefde, niet om genegenheid, niet om vriendschap; alleen één enkel woord. Dat ene woord dat alle klanken betekenis geeft. De vermoeide schaduw van haar rug, die maar niet hardvochtig heeft leren zijn, strijkt langs de daklozen op straat.
Terug naar Archief